β‘ Fysica
Examensamenvatting β Juni 2026 β 5WE Wetenschappen
π Formularium (printbaar)π Inhoudstafel
Thema 0: Beduidende Cijfers en Omzettingen
Beduidende cijfers (significant figures) geven aan hoe nauwkeurig een meting is. Fouten hieraan kosten punten op het examen!
Wat zijn beduidende cijfers?
Alle cijfers die bijdragen aan de precisie van een getal, behalve nullen die alleen de positie aangeven.
Regels
- Alle niet-nul cijfers zijn beduidend: 42,3 β 3 beduidende cijfers
- Nullen tussen niet-nul cijfers zijn beduidend: 1005 β 4 bc
- Nullen voor het eerste niet-nul cijfer zijn NIET beduidend: 0,0042 β 2 bc
- Nullen achter de komma na een niet-nul cijfer ZIJN beduidend: 3,20 β 3 bc
- Nullen achter een niet-nul cijfer zonder komma zijn ONDUIDELIJK (bijv. 4200 β 2, 3 of 4 bc?)
Regels bij berekeningen
- Bij vermenigvuldigen/deelΒen: het resultaat heeft evenveel bc als het getal met het minste aantal bc
- Bij optellen/aftrekken: het resultaat gaat tot op dezelfde decimaal als het getal met de minste decimalen
- Rondingsregel: als het cijfer na de laatste positie β₯ 5 is, rond je omhoog; anders af
SI-prefixen
| Prefix | Symbol | Factor |
|---|---|---|
| giga | G | 10βΉ |
| mega | M | 10βΆ |
| kilo | k | 10Β³ |
| milli | m | 10β»Β³ |
| micro | ΞΌ | 10β»βΆ |
| nano | n | 10β»βΉ |
| pico | p | 10β»ΒΉΒ² |
Oefening 1: Hoeveel beduidende cijfers hebben: 0,0050 / 320 / 1,030 / 6,02 Γ 10Β²Β³
Uitwerking
0,0050 β 2 bc (nullen vΓ³Γ³r tellen niet, nul achter komma wel)
320 β 2 of 3 bc (onduidelijk β met wetensch. notatie 3,2 Γ 10Β² = 2 bc, 3,20 Γ 10Β² = 3 bc)
1,030 β 4 bc (nul tussen + nul achter komma)
6,02 Γ 10Β²Β³ β 3 bc (alleen de mantissa telt)
Oefening 2: Bereken 3,42 Γ 1,5 en geef het resultaat met het juiste aantal bc.
Uitwerking
3,42 Γ 1,5 = 5,13 β 5,1 (1,5 heeft 2 bc, dus 2 bc in het antwoord)
Oefening 3: Zet 2,5 nm om naar ΞΌm.
Uitwerking
2,5 nm = 2,5 Γ 10β»βΉ m = 0,0025 Γ 10β»βΆ m = 0,0025 ΞΌm
Thema 1: Elektromagnetisme
H5 β Eigenschappen van Magneten
Soorten magneten
Permanente magneten zijn altijd magnetisch. Elektromagneten alleen als er stroom doorheen gaat.
- Natuurlijk: magnetiet (FeβOβ) β de enige natuurlijke magneet
- Kunstmatig: legeringen; sterkste momenteel = neodymiummagneet (NdβFeββB)
Eigenschappen
- Elke magneet heeft twee polen (noord N en zuid S)
- Gelijke polen stoten af, ongelijke polen trekken aan
- Je kan een magneet niet splitsen in één pool β je krijgt altijd weer twee nieuwe polen
- Magneten trekken ferromagnetische materialen aan: ijzer (Fe), nikkel (Ni), kobalt (Co)
Magnetisch veld
Een magneet creΓ«ert een magnetisch veld in de ruimte eromheen. Je visualiseert dit met veldlijnen:
- Veldlijnen lopen buiten de magneet van N naar S
- Binnenin de magneet van S naar N
- Ze vormen gesloten lussen β ze beginnen en eindigen nergens
- Waar de lijnen dichter bij elkaar staan, is het veld sterker
- Veldlijnen kruisen elkaar nooit
Oefening 1: Waarom kan je een magneet niet in tweeΓ«n breken om alleen een noordpool te krijgen?
Uitwerking
Elk deel van een gebroken magneet vormt onmiddellijk twee nieuwe polen (N en S). Magnetische veldlijnen zijn altijd gesloten lussen β een enkele pool bestaat niet in de natuur.
Oefening 2: Een neodymiummagneet is een permanente magneet. Wat is de samenstelling?
Uitwerking
Een neodymiummagneet bestaat uit NdβFeββB (neodymium, ijzer, boor). Het is de sterkste permanente magneet die commercieel beschikbaar is.
H6 β Magnetische Veldsterkte en Magnetische Kracht
Magnetische veldsterkte (Bβ)
Een vectoriΓ«le grootheid die de sterkte en richting van een magneetveld beschrijft.
- Eenheid: Tesla [T]
- Meten: teslameter (of Hall-sonde)
- Aard magnetisch veld: ~50 ΞΌT
- Neodymiummagneet: ~1,2 T
- MRI-scanner: ~3 T
Magnetische flux (Ξ¦)
- Ξ¦ = magnetische flux [Wb = Weber]
- B = veldsterkte [T]
- A = oppervlakte [mΒ²]
- ΞΈ = hoek tussen Bβ en de normaal op het oppervlak
Kracht op een stroomdraad in een magneetveld
- F = kracht [N]
- B = veldsterkte [T]
- I = stroomsterkte [A]
- L = lengte van de draad in het veld [m]
- ΞΈ = hoek tussen stroomrichting en veldrichting
Richting bepalen: gebruik de rechterhandregel (drievingerige regel): duim = stroom I, vingers = veld B, handpalm duwt in de richting van kracht F.
Oefening 1: Een draad van 0,3 m lengte staat loodrecht op een magneetveld van 0,4 T en voert een stroom van 2 A. Bereken de kracht.
Uitwerking
ΞΈ = 90Β° β sin(90Β°) = 1
F = B Β· I Β· L Β· sin(ΞΈ) = 0,4 Γ 2 Γ 0,3 Γ 1 = 0,24 N
Oefening 2: Een vlak van 0,05 mΒ² staat onder een hoek van 30Β° met het magneetveld (B = 0,8 T). Bereken de magnetische flux.
Uitwerking
Ξ¦ = B Β· A Β· cos(ΞΈ) = 0,8 Γ 0,05 Γ cos(30Β°) = 0,8 Γ 0,05 Γ 0,866 = 0,035 Wb
Oefening 3: De kracht op een draad van 0,2 m in een veld van 0,5 T bedraagt 0,08 N bij een stroom van 1,6 A. Onder welke hoek staat de draad ten opzichte van het veld?
Uitwerking
sin(ΞΈ) = F / (B Β· I Β· L) = 0,08 / (0,5 Γ 1,6 Γ 0,2) = 0,08 / 0,16 = 0,5
ΞΈ = 30Β°
H7 β Elektromagnetische Inductie
Principe
Wet van Faraday: een veranderend magneetveld in een gesloten lus induceert een elektrische spanning (emk = elektromotorische kracht). Hoe sneller de verandering, hoe groter de spanning.
- Ξ΅ = geΓ―nduceerde spanning [V]
- N = aantal windingen van de spoel
- ΞΞ¦ = verandering in magnetische flux [Wb]
- Ξt = tijdsduur van de verandering [s]
- Het minteken komt van Lenz' wet
Lenz' Wet
De geΓ―nduceerde stroom verhindert de verandering die hem veroorzaakt:
- Als je een magneet naar een spoel toe beweegt β geΓ―nduceerde stroom creΓ«ert een veld dat de magneet afstoot
- Trek je de magneet weg β de stroom creΓ«ert een veld dat de magneet aantrekt
Toepassingen
- Inductiekookplaat: wisselend magneetveld induceert stroom in de pan β warmte
- Dynamo/generator: draaiende spoel in magneetveld β wisselspanning
- Transformator: wisselstroom in primaire spoel β veranderend veld β spanning in secundaire spoel
- Elektrische gitaar: trillende stalen snaren veranderen het veld in de pick-up
Oefening 1: Een spoel met 200 windingen staat in een magneetveld dat in 0,05 s van 0 T naar 0,3 T verandert. Het oppervlak van de spoel is 0,01 mΒ². Bereken de geΓ―nduceerde spanning.
Uitwerking
ΞΞ¦ = BβΒ·A β BβΒ·A = (0,3 β 0) Γ 0,01 = 0,003 Wb
Ξ΅ = βN Β· ΞΞ¦ / Ξt = β200 Γ 0,003 / 0,05 = β12 V
De grootte van de spanning is 12 V. De richting volgt Lenz' wet.
Oefening 2: Verklaar met Lenz' wet wat er gebeurt als je een noordpool snel in een spoel duwt.
Uitwerking
Als de N-pool de spoel binnengaat, neemt het veld door de spoel toe. Volgens Lenz' wet zal de geΓ―nduceerde stroom een veld creΓ«ren dat deze toename tegenwerkt β dus een veld in de tegengestelde richting. De spoel gedraagt zich als een magneet met een N-pool aan de kant waar de magneet binnenkomt β de spoel stoot de magneet af.
Thema 2: Kernfysica
H1 β Stabiele en Instabiele Kernen
Opbouw van de atoomkern
De atoomkern bestaat uit:
- Protonen (p): positief geladen (+e), massagetal 1
- Neutronen (n): neutraal, massagetal 1
Notatie: AZX
- A = massagetal = Z + N (totaal aantal nucleonen)
- Z = atoomnummer = aantal protonen
- N = aantal neutronen = A β Z
- X = symbool van het element
Isotopen, Isotonen, Isobaren
| Begrip | Definitie | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Isotopen | Zelfde Z, ander N (en A) | 1H, 2H, 3H |
| Isotonen | Zelfde N, ander Z (en A) | 13C en 14N (beide N=7) |
| Isobaren | Zelfde A, ander Z (en N) | 14C en 14N |
Bindingsenergie per nucleon
De sterke kernkracht houdt nucleonen in de kern bij elkaar. Hoe strakker ze gebonden zijn, hoe stabieler de kern.
IJzer-56 (56Fe) heeft de hoogste bindingsenergie per nucleon (~8,8 MeV) en is dus de stabielste kern.
- Lichte kernen (A < 56): fusie levert energie op (kernen fuseren β stabieler)
- Zware kernen (A > 56): fissie levert energie op (kern splitst β stabieler)
Oefening 1: Geef het aantal protonen, neutronen en nucleonen van 238U.
Uitwerking
Uranium: Z = 92
Protonen = 92, Neutronen = 238 β 92 = 146, Nucleonen = 238
Oefening 2: Zijn 40Ca en 40Ar isotopen, isotonen of isobaren?
Uitwerking
Ca: Z=20, N=20. Ar: Z=18, N=22.
Beide hebben A=40 maar verschillend Z β isobaren.
Oefening 3: Waarom levert kernfusie van 2H en 3H energie op?
Uitwerking
De 2H en 3H kernen zijn licht (A=5 totaal). In de binding energy curve liggen ze links van 56Fe. Bij fusie ontstaat 4He + neutron, en de bindingsenergie per nucleon neemt toe β het verschil wordt als energie vrijgegeven.
H2 β Kernenergie
E = mcΒ²
Einstein ontdekte dat massa en energie equivalent zijn:
- E = energie [J]
- m = massa [kg]
- c = lichtsnelheid = 3 Γ 10βΈ m/s
Atomaire massa-eenheid (u)
1 u = 1,66054 Γ 10β»Β²β· kg β massa van één proton/neutron
In energie: 1 u = 931,5 MeV
Massadefect en bindingsenergie
De kern is lichter dan de som van zijn afzonderlijke nucleonen. Het verschil (Ξm) is omgezet in bindingsenergie.
Kernsplijting (Fissie)
Een zware kern splitst in twee lichtere kernen + neutronen + energie.
Voorbeeld: 235U + n β 144Ba + 89Kr + 3n + energie
- Vrijgekomen neutronen kunnen andere 235U kernen splijten β kettingreactie
- Kritische massa: minimum hoeveelheid fissiemateriaal nodig voor een zelfstandig voortgaande kettingreactie
- Toepassingen: kerncentrale, atoombom
Kernfusie
Twee lichte kernen fuseren tot een zwaardere kern + energie.
Voorbeeld: 2H + 3H β 4He + n + 17,6 MeV
- Vereist extreem hoge temperatuur (~10⸠K) om coulombbarrière te overwinnen
- Toepassingen: de Zon, waterstofbom, (toekomstige) fusiereactor
Oefening 1: Bereken de bindingsenergie van 4He (2 protonen, 2 neutronen). Gegeven: mp = 1,00728 u, mn = 1,00866 u, m(4He) = 4,00260 u.
Uitwerking
Ξm = (2 Γ 1,00728 + 2 Γ 1,00866) β 4,00260
Ξm = (2,01456 + 2,01732) β 4,00260 = 4,03188 β 4,00260 = 0,02928 u
Eb = 0,02928 Γ 931,5 = 27,27 MeV
Eb/A = 27,27 / 4 = 6,82 MeV per nucleon
Oefening 2: Hoeveel energie komt vrij bij de fusie van 2H + 3H β 4He + n? Gegeven: Ξm = 0,01888 u.
Uitwerking
E = Ξm Γ 931,5 MeV/u = 0,01888 Γ 931,5 = 17,6 MeV
Oefening 3: Bij kernsplijting van 235U wordt ~200 MeV vrijgegeven. Hoeveel fissies zijn nodig om 1 J aan energie op te wekken?
Uitwerking
1 eV = 1,602 Γ 10β»ΒΉβΉ J β 200 MeV = 200 Γ 10βΆ Γ 1,602 Γ 10β»ΒΉβΉ = 3,204 Γ 10β»ΒΉΒΉ J per fissie
N = 1 / 3,204 Γ 10β»ΒΉΒΉ = 3,12 Γ 10ΒΉβ° fissies
H3 β Radioactief Verval
Wat is radioactiviteit?
Instabiele nucliden vallen spontaan af naar andere nucliden om hun energie te verlagen. Bij dit verval wordt straling uitgezonden.
Soorten straling
| Alfa (Ξ±) | BΓ¨taβ» (Ξ²β») | Gamma (Ξ³) | |
|---|---|---|---|
| Deeltje | β΄βHe kern | Elektron (eβ») | Elektromagnetische straling |
| Lading | +2e | βe | 0 |
| Massa | 4 u | ~0 u | 0 |
| Snelheid | ~5% van c | ~90% van c | c |
| Doordringend | Zwak (papier stopt) | Matig (Al stopt) | Sterk (lood nodig) |
| Ioniserend | Zeer sterk | Matig | Zwak |
Kernvergelijkingen
- Alfaverval: AZX β Aβ4Zβ2Y + 42Ξ±
- BΓ¨taverval: AZX β AZ+1Y + 0β1eβ» + Ξ½Μe
- Positronverval: AZX β AZβ1Y + 0+1eβΊ + Ξ½e
- Gamma-emissie: AZX* β AZX + Ξ³
Vervalwet
- N(t) = aantal kernen na tijd t
- Nβ = oorspronkelijk aantal kernen
- Ξ» = vervalconstante [sβ»ΒΉ]
- tΒ½ = tijd na welke de helft van de kernen vervallen is
Oefening 1: 226Ra vervalt door alfaverval. Wat is de docherkern?
Uitwerking
22688Ra β 22286Rn + 42Ξ±
De docherkern is 22286Rn (radon-222).
Oefening 2: 14C heeft een halveringstijd van 5730 jaar. Een archeologisch monster bevat nog 25% van de oorspronkelijke 14C. Hoe oud is het?
Uitwerking
25% = Β½ Γ Β½ β er zijn 2 halveringstijden verstreken.
Leeftijd = 2 Γ 5730 = 11 460 jaar
Oefening 3: Na hoeveel halveringstijden is nog 1/8 van het oorspronkelijke materiaal over?
Uitwerking
1/8 = (Β½)Β³ β 3 halveringstijden
H4 β Effecten van Ioniserende Straling op de Mens
Wat is ioniserende straling?
Straling met voldoende energie om elektronen uit atomen te slaan (~> 10 eV). EΓ©n deeltje van ~1 MeV kan duizenden ionisaties veroorzaken.
Dosiseenheden
| Grootte | Eenheid | Definitie |
|---|---|---|
| Absorptiedosis | Gray [Gy] | J/kg β hoeveel energie per kg weefsel |
| Equivalente dosis | Sievert [Sv] | Gy Γ stralingsweegfactor |
| Effectieve dosis | Sievert [Sv] | Houdt rekening met orgaangevoeligheid |
Stralingsweegfactoren: Ξ± = 20, Ξ²/Ξ³ = 1, neutronen = 5-20
Effecten
| Acute dosis | Effect |
|---|---|
| < 0,25 Sv | Geen merkbare symptomen |
| 0,25 β 1 Sv | Lichte bloedbeeldveranderingen, tijdelijk misselijk |
| 1 β 3 Sv | Braaken, haaruitval, ~10-35% sterfte |
| 3 β 6 Sv | Zware symptomen, ~50-90% sterfte zonder behandeling |
| > 6 Sv | Fataal, overleving zeldzaam |
- Deterministische effecten: alleen bij hoge dosis, zeker optredend, ernst neemt toe met dosis (haaruitval, brandwonden)
- Stochastische effecten: bij elke dosis mogelijk, kans neemt toe met dosis (kanker, erfelijke mutaties) β geen drempelwaarde
Natuurlijke achtergrondstraling: ~2,4 mSv/jaar (vooral radon in huis, kosmische straling, medische beelden)
Oefening 1: Een persoon ontvangt 0,5 Gy alfastraling. Wat is de equivalente dosis?
Uitwerking
Equiv. dosis = Gy Γ weegfactor = 0,5 Γ 20 = 10 Sv
Dit is een levensgevaarlijke dosis! Alfa is zeer schadelijk als het in het lichaam komt.
Oefening 2: Een rΓΆntgenfoto geeft ~0,1 mGy Ξ²-straling. Wat is de equivalente dosis?
Uitwerking
Equiv. dosis = 0,1 mGy Γ 1 = 0,1 mSv
Dit is ~4% van de jaarlijkse achtergrondstraling β zeer veilig.
Elementaire Deeltjesfysica
Wat zijn fundamentele deeltjes?
Deeltjes waaruit alle materie is opgebouwd en die (voor zover we weten) niet verder op te delen zijn. Diameter < 10β»ΒΉβΈ m.
Twee families materiedeeltjes (Fermionen)
1. Quarks
- 6 smaken: up (u), down (d), charm (c), strange (s), top (t), bottom (b)
- 3 kleurladingen: rood, groen, blauw (+ antikleuren)
- Quarks komen nooit alleen voor β altijd in kleurneutrale combinaties
- Ladingen: u/c/t = +β e, d/s/b = ββ e
2. Leptonen
- 6 soorten: elektron (eβ»), muon (ΞΌβ»), tau (Οβ») + hun neutrino's (Ξ½e, Ξ½ΞΌ, Ξ½Ο)
- Elektron, muon en tau hebben lading βe; neutrino's zijn neutraal
- Neutrino's interageren alleen via de zwakke kernkracht β bijna ondetecteerbaar
Bosonen (krachtdragers)
| Boson | Kracht | Massa | Opmerking |
|---|---|---|---|
| Foton (Ξ³) | Elektromagnetische | 0 | Lichtsnelheid |
| Gluon (g) | Sterke kernkracht | 0 | Bindt quarks samen |
| WβΊ, Wβ», Zβ° | Zwakke kernkracht | Zwaar (~80-91 GeV) | BΓ¨taverval |
| Higgs (Hβ°) | Higgsveld | ~125 GeV | Geeft deeltjes massa |
Antideeltjes
Elk deeltje heeft een antideeltje met dezelfde massa maar tegengestelde lading.
- Positron (eβΊ) = antideeltje van elektron
- Antiproton (pΜ) = antideeltje van proton
- Notatie: streepje boven het symbool
Composietdeeltjes
Hadronen = deeltjes die uit quarks bestaan:
- Baryonen: 3 quarks (proton = uud, neutron = udd)
- Mesonen: 1 quark + 1 antiquark
Oefening 1: Een proton bestaat uit uud. Toon aan dat de totale lading +e is.
Uitwerking
u: +β e, u: +β e, d: ββ e
Totaal = +β + +β + ββ = (2/3 + 2/3 β 1/3) = +1e β
Oefening 2: Wat is het antideeltje van een proton? Geef de quarksamenstelling.
Uitwerking
Antiproton (pΜ): lading βe
Quarksamenstelling: Ε«Ε«dΜ (twee anti-up + één anti-down)
π Examensamenvatting Fysica β 5WE 2025-2026